Exceptioneel fijn gesneden buxushouten miniatuurschedel door Albert Jansz. Vinckenbrinck

Meer informatie aanvragen
Prijs op aanvraag

Wereldwijde verzending mogelijk

Herkomst
Amsterdam
Materiaal
Buxushout
Afmetingen
4 x 3.5 x 5.3 cm
Literatuur

D. Franken, ‘Albert Jansz Vinckenbrinck’, Oud-Holland, V, (1887), pp.72-92.
W. Halsema-Kubes, ‘Kleinplastiek van Albert Jansz. Vinckenbrinck’, Bulletin van het Rijksmuseum, XXXIX, 4, (1991), pp.414-425.
M. Eisma, In beeld gebracht. Beeldhouwkunst uit de collectie van het Amsterdams Historisch Museum, Zwolle, 1995, pp.209-210, nr.139, afb.XI.
M. Eisma, 'Albert Jansz Vinckenbrinck, ontwerper en beeldsnijder', Maandblad Amstelodamum 83 (1996), p. 33-43
M.J. Bok, 'De Utrechtse verwanten van de beeldsnijder Albert Janszn Vinckenbrinck', Maandblad Amstelodamum 83 (1996), p. 167-172
J.A.C. Dudok van Heel, 'De werkplaatsen van de beeldsnijder Albert Janszn Vinckenbrinck', Maandblad Amstelodamum 83 (1996), p. 173-177

Provenance

Mogelijk de boedelinventaris van Albert Jansz. Vinckenbrinck, Amsterdam, 1665

Vragen over dit object?

Kies een van de onderstaande contactmogelijkheden:

Omschrijving

Albert Jansz. Vinckenbrinck (1605-1664) is de belangrijkste Hollandse beeldsnijder uit de zeventiende eeuw. Naast monumentaal werk, zoals zijn preekstoel in de Nieuwe Kerk te Amsterdam, heeft hij ook veel kleinplastiek vervaardigd, voornamelijk in palmhout. De kennis hieromtrent is de afgelopen 130 jaar ontstaan.
Toen Daniël Franken in 1887 in de vijfde jaargang van het tijdschrift Oud Holland een nog steeds belangwekkend artikel schreef over Vinckenbrink, kende hij slechts één werk, namelijk de preekstoel in de Nieuwe Kerk te Amsterdam. Desalniettemin vormde dit artikel de basis voor verdere toeschrijvingen aan deze beeldhouwer.
Franken publiceerde in zijn artikel de boedelbeschrijving, opgemaakt in 1665 in het sterfhuis van Albert Jansz. Vinckenbrinck. Uit deze boedelbeschrijving en 18de eeuwse veilingcatalogi met beschrijvingen van werk van Vinckenbrinck  was op te maken dat hij vooral kleinplastiek moest hebben gemaakt. In de loop van 130 jaar zijn veel van deze werkjes opgedoken. Diverse daarvan zijn gesigneerd met een .AL.VB. monogram waarbij A en L en V en B geligeert zijn, dat wil zeggen dat de rechter stam van de A en de stam van de L een zijn net als de rechterstam van de V en de stam van de B. In 1991 publiceerde Willy Halsema Kubes in het Bulletin van het Rijksmuseum een lijst van niet minder dan 14 kleinplastieken van de hand van Vinckenbrinck.


Dit blijkt niet alleen uit de uitgebreide en erg leerzame boedelinventaris die na zijn dood is opgesteld, maar ook uit een klein aantal bewaard gebleven gesigneerde beeldjes en reliëfs.
Halsema-Kubes publiceerde veertien eigenhandige werkjes, die allen, op één na, van het monogram ALVB voorzien zijn.

Nadien is door onderzoek in het maandblad Amstelodamum nog veel meer over het leven leertijd en de geboorteplaats van Vinckenbrinck gepubliceerd. Door het pas zo laat bekend worden van de exacte levendata van Vinckenbrinck is er nog steeds veel onduidelijkheid over zijn geboorteplaats en jaar. Vrijwel niemand verwijst naar de meest recente publicatie en schrijft over uit oude lexica wat daar staat. Derhalve is het feit dat Vinckenbrinck op 3 april 1605 gedoopt werd in de Nieuwe Kerk, zelden gepubliceerd. De vader van Albert Jansz. was toen woonachtig op de zeedijk. Van beroep was hij kistenmaker.
Albert Jansz. trouwde in 1626 met Geertruit Diercks uit Utrecht. Dat hij met een Utrechtse vrouw trouwde, duidt er mogelijk op dat hij zijn leertijd daar, deels of misschien geheel, heeft gehad. Door onderzoek te doen naar de verschillende werkplaatsen van Vinckenbrink concludeerde bas Dudok van Heel tenslotte dat hij waarschijnlijk eerst een werkplaats met zijn vader moet hebben gedeeld en later bijna de buurman was van de Amsterdamse burgemeester Joan Huydecoper. Uit dit laatste gegeven trekt Dudok van Heel met aanhaling van diverse opbouwende opmerkingen de conclusie dat Vinckenbrinck zeer waarschijnlijk ook deuren, deurlijsten en andere architectonische ornamenten moet hebben vervaardigd en dat de kleinplastiek van hem slechts bijwerk moet zijn geweest veelal voor eigen vermaak, vooral omdat veel van de nu bekende werken nog in zijn eigen bezit waren bij zijn overlijden.

Dat de conclusie van Dudok van Heel zeer logisch is blijkt uit hoe Vinckenbrink zich liet portretteren.  Zijn hand rust op een buste van een vrowu van dusdanig formaat dat van kleinplastiek geen sprake is, achter zijn rug is de schede van het zwaard van Goliath te zien, een verwijzing naar zijn auteurschap voor dit gigantische beeld in het Amsterdam Museum. Dit beeld was bedoeld voor het Oude Doolhof een zeventiende eeuws attractiepark avant la Lettre in hartje Amsterdam.
Maar voor Vinckenbrinck zien we een passer en twee beitels liggen en een schets van iets wat een kerktoren lijkt maar wat bij nadere beschouwing de preekstoel van de Nieuwe kerk moet zijn. Met het vervaardigen van de preekstoel vestigde Vinckenbrinck voor zover hij dat niet al had gedaan definitief zijn naam als maker van grote werken voor architectonisch gebruik. De preekstoel is een bouwwerk op zich. Veel van dat grote werk is met de modernisering van huizen in de loop der eeuwen verloren gegaan. Dit in tegenstelling tot het kleinwerk.

Het schedeltje dat bijzonder virtuoos en fraai gesneden is, diende in de zeventiende eeuw de beschouwer te herinneren aan de vergankelijkheid van het leven. Zo zullen schedeltjes als deze als een Memento Mori in diverse huizen in de zeventiende eeuw een plekje hebben gehad.
Als fraai voorbeeld van kleinplastiek werden dergelijke schedeltjes  opgenomen in kunstkamers zoals te zien is op een schilderij van Georg Hainz in de Hamburger Kunsthalle.
Vinckenbrinck heeft meerdere van deze schedeltjes gesneden. Een gesigneerde bevindt zich in het Amsterdam museum, een andere gesigneerde, zij het iets kleinere, bevindt zich in het Rijksmuseum. Een vergelijking tussen deze twee en de hier gepresenteerde schedel, die qua maatvoering overeenkomt met de schedel van het Rijksmuseum, rechtvaardigt de toeschrijving van deze ongesigneerde schedel aan Vinckenbrinck.Een van deze schedeltjes zal behoort hebben tot het sterfhuis van Vinckenbrinck. In zijn inboedel wordt dan genoemd:   Een dootshooftje met een schouderbeentje en schinckeltje, gesneden als voren (van palmhout) Hoewel bij alle drie de vermelde botten ontbreken is het zeker dat Vinckenbrinck een memento mori voor zichzelf gehouden heeft. Zijn fascinatie voor dit onderwerp blijkt ook uit het bezit van een schilderij in zijn inboedel met dit onderwerp: Een conterfeytsel met een dootshooftje in een vergulde lijst. Al met al is dit ‘dootshooftje’ een prachtig voorbeeld van een beroemde beeldhouwer over wie pas de afgelopen eeuw veel bekend is geworden.

 

Legal


Site by Artimin